
80 jaar bevrijding
In 2025 vieren we 80 jaar vrijheid in Nederland. Ook in Waadhoeke staan we hier uitgebreid bij stil. Want vrijheid is in deze tijd niet vanzelfsprekend. We vieren de bevrijding van de gemeente 80 jaar geleden op 15 april 1945 en de Nationale bevrijding op 5 mei. Herdenken en vieren doen we samen. Tussen 14/15 april en 5 mei 2025 zijn er door de hele gemeente heen veel activiteiten. Zo houden we de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend. Hieronder vertellen we je alvast wat je kunt verwachten én wat jij zelf kunt doen. Let op, bepaalde onderdelen kunnen nog wijzigen.
Activiteiten
Bekijk het actuele overzicht van activiteiten in gemeente Waadhoeke. Mist er een evenement? Laat het weten door een e-mail te sturen naar info@waadhoeke.nl
Onderwijs
De scholen in Waadhoeke geven vaak zelfstandig aan 80 jaar vrijheid. Zo organiseert de Anna Maria van Schurmanschool in Franeker meerdere activiteiten. Het HCF ondersteunt hen daarbij. Ook op de basisscholen in Waadhoeke wordt volop aandacht besteed aan het thema.
- In Bitgum doen ze dit aan de hand van een film met voorlichting.
- In het Bildt doen zes groepen en in Minnertsga één groep mee aan een project met een koffertje met materialen (met o.a. persoonsbewijzen, bonkaarten en boeken). Na een korte introductiefilm werken de scholen zelf verder met de bijgeleverde lesbrief.
De scholen uit het Bildt gaan een week later naar de tentoonstelling in de bibliotheek. Het lesmateriaal en koffertje worden samen met informatie over evacués ook getoond bij de herdenking in het Raadhuis van St.-Anne. Minnertsga houdt haar project pas in oktober en doet dit zonder tentoonstelling.
Vanuit het Verzetsmuseum, samen met Afûk, Omrop Fryslân en Fries Film en Audio-archief, krijgen scholen lesmateriaal aangeleverd. Dit bestaat uit een zestal korte educatieve filmpjes/clips van chronologische gebeurtenissen in de regio. Daarbij ontwikkelt Afûk lesmateriaal dat aansluit bij de actuele thema’s die nu spelen in de klas, zoals vluchtelingen, democratie, gelijkheid en vrijheid.
Gezocht: historisch materiaal
Beelden en verhalen houden de geschiedenis levendig. Daarom is het belangrijk om deze ook zoveel mogelijk te bewaren en openbaar te maken. Het Historisch Centrum Franeker beschikt al over een rijk archief, maar is altijd op zoek naar meer historisch materiaal. Heb jij materiaal over de Tweede Wereldoorlog thuis of ken je iemand die dat heeft? Dan ontvangt het HCF dat graag. Stuur een mail naar info@historischcentrumfraneker.nl. Zij kunnen er ook voor zorgen dat het materiaal verder verspreid wordt onder andere historische centra.
Ferhalen fertelle ús ferline
In het kader van 80 jaar vrijheid Waadhoeke publiceren we tot Bevrijdingsdag, 5 mei 2025, regelmatig bijzondere verhalen. In ieder verhaal staat een gebeurtenis in onze gemeente in de jaren 1940-1945 centraal.
’15 april 1945, Bommen op Saakstra’s brug’, het relaas van Aeger Bouma
Aeger Bouma woonde op de Turfkade in Franeker, vlak bij de brug over de Salverdervaart en de naastgelegen Stadsherberg. De onderstaande citaten zijn uit zijn dagboek. Op 15 april 1945 schrikken Aeger en zijn ouders wakker van enkele geweerschoten, waarna even later om 8.14 uur een grote explosie volgt.
‘Eenmaal buiten bleek dat bijna alle pannen van het dak waren, en er geen enkel raam gespaard was. In de omgeving was het niet veel beter. De brug zag er zwartgeblakerd uit, maar was er nog wel. Om 10 uur klonken weer 3 geweerschoten, een teken dat er weer een explosie zou komen. 5 keer hebben ze geprobeerd de brug op te blazen. Deze bleef verwrongen achter. De Duitsers maakten zich nu uit de voeten en de versperring op de Harlingerweg werd gesloten, en de brug bij Kiesterzijl werd opgeblazen. De Franekers hadden voorbereidingen getroffen om de brug te herstellen.’
Na het wegtrekken van de Duitsers richting Harlingen volgen de ontwikkelingen die dag elkaar snel op.
‘Om half zeven was de brug hersteld en trokken de Canadezen de stad binnen. Ik was op de eerste tank geklauterd en maakte nu een rondrit door de stad. Overal werd gejuicht. En toen de tank voor het stadhuis stil hield, klonk uit duizenden kelen het Wilhelmus en het Fries Volkslied. Om half acht verdwenen de tanks weer naar Leeuwarden. Om acht uur moest iedereen naar binnen, maar binnen werd het feest verder gevierd. Hier hadden we 5 jaar op gewacht, Franeker was bevrijd.’
Bijgaande foto is van R. Elsinga en genomen vlak na de bevrijding. Bij de festiviteiten op Bevrijdingsdag, 5 mei, 2025, zal defensie rond het middaguur een noodbrug over de huidige Saakstra’s brug leggen om (symbolisch) de optocht van militaire voertuigen van ‘Keep them rolling’ doorgang te verschaffen. Bij de locatie Stadsherberg wordt vanuit een militaire veldkeuken een originele vrijheidshap uitgedeeld.
“Het meisje dat dood moest” - Het verhaal van Grietje Sinnema uit Ried
In de laatste oorlogswinter van ‘44/’45 hadden de Duitsers vooral gebrek aan paarden en hooi. De boeren kregen de oproep om hun paarden naar de vordering te brengen. In Franeker werden de paarden gekeurd en werd beslist welke de Duitsers konden gebruiken. Dat waren natuurlijk altijd de besten. Zo raakten de boeren heel wat paarden kwijt. Dit was natuurlijk dramatisch, want hierdoor zouden ze de aanstaande zomer het land niet kunnen bewerken en dat zou een ramp zijn voor hongerend Nederland.
De jonge vrouw uit Ried, Griet Sinnema, had daar een groot aandeel in. In de jaren dertig van de vorige eeuw, toen er een grote crisis heerste, hadden veel boeren het slecht. Ze ontvingen zeer lage prijzen voor hun producten, hierdoor gingen velen failliet. Ook in Ried moesten enkele boeren hun boerderij verlaten. Toen de Duitsers hier kwamen zou alles beter worden en daarom sloten veel boeren zich aan bij de Duitse partij. Ook in Ried waren enkele mensen die aan de Duitse kant stonden en lid waren van de NSB (Nationaal Socialistische Beweging), waaronder boer Sjouke Sinnema. Vooral moeder en later hun dochter Griet waren behoorlijk pro-Duits, wat blijkt uit het volgende:
“In december 1942 maken enkele Duitse dames per auto een rondreis door Nederland. Tijdens hun tocht door Friesland worden ze o.a. begeleid door boerin Grietje Sinnema-Boschma. Ze bezoeken een boerderij in Marssum, bezichtigen het kerkje van Slappeterp en drinken daarna thee op Andla State in Ried, de boerderij van de familie Sinnema. Daarna volgt nog een bezoek aan Museum ’t Coopmanshûs in Franeker”.
Dochter Griet Sinnema (geb. 1924) kiest na het behalen van haar HBS-diploma voor de Boerenschool in Gaasterland, een op het Duitse rijk gerichte school. Daarna gaat ze nog naar de Landbouwhogeschool in Wageningen, waarvoor ze een loyaliteitsverklaring moet ondertekenen. Bij terugkomst in Ried in 1944 biedt de bezetter haar werk aan. Ze wordt tolk en secretaresse van de staf van de ‘Abteilung fur Ernahrung und Landwirtschaft’ te Franeker.
Het kantoor regelt de vorderingen bij boeren in de omgeving. De boeren weten echter met verzinsels aan leveringen te ontkomen, omdat ze zich beroepen op de slechte kennis van de Duitse taal. Met de komst van Griet Sinnema komt daar verandering in. Zij kent het boerenbedrijf goed en weet van veel boeren hoe de bedrijfsvoering in elkaar steekt. Bovendien weet ze precies hoeveel hooi er bij de boeren aanwezig is en hoeveel paarden er rondlopen. Al snel wordt Griet meer dan alleen een tolk. Ze gaat dan ook zelf naar de boeren toe die ze verdenkt van het traineren van de vorderingen van paarden en hooi.
Het fanatisme waarmee zij te werk gaat, leidt ertoe dat de boeren hun beklag doen bij Folkert de Jong, districtsoperatieleider van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) in Franeker. Omdat praten met haar niet zou helpen, werd een plan gesmeed om haar neer te schieten. Griet Sinnema wordt een tijd geschaduwd om er zeker van te zijn dat een eventuele liquidatie verantwoord is.
Op zaterdag 3 maart 1945 fietst Griet van huis naar het kantoor in Franeker, als bij de brug tussen Boer en Dongjum de aanslag op haar gepleegd wordt door twee leden van de ondergrondse. Cornelius Livius Koster uit Joure en Oedse Hendrik Klevringa uit Bolsward vuren meerdere schoten op haar af. Griet wordt bij de aanslag echter niet dodelijk getroffen. Ze is zelfs nog volledig bij bewustzijn, kruipt overeind, pakt haar fiets weer op en rijdt naar de dichtstbijzijnde boerderij van de familie Lettinga. Later die dag wordt ze naar het Duitse lazaret (veldhospitaal) in Leeuwarden overgebracht, waar een operatie volgt.
Na de aanslag drong de baas van Griet Sinnema aan op een vergelding. Heel Ried verkeerde toen in angst voor represailles en verwachtte een razzia. Daarom doken uit voorzorg de hoofdmeester, de dominee en een aantal boeren onder. Maar ook alle onderduikers stonden doodsangsten uit en waren extra voorzichtig.
Wat echter niemand verwacht had, was dat de Duitsers op 8 maart vijf mannen uit de Leeuwarder gevangenis haalden. Zij hadden niets met het verzet in Franekeradeel te maken. Op de plaats van de aanslag op Griet werden zij gefusilleerd. De ontzielde lichamen moesten 24 uur onder politiebewaking blijven liggen, als afschrikwekkend voorbeeld voor de dorpsbewoners. De volgende dag werden de lichamen in Dongjum begraven.
De slachtoffers van dit verschrikkelijke drama waren: Pieter Anne Glastra van Loon uit Scharnegoutum, George Chr. Tinkelenberg uit Sijbrandaburen, Jacob Hijlkema uit Grou, Bauke van der Pal uit Grou en Heinrich Roth uit Enschede (ondergedoken in Scharnegoutum). Op 4 mei 1965 werd, ter nagedachtenis aan deze mannen een monument onthuld net over de brug aan de weg van Ried naar Dongjum.
Griet Sinnema herstelde voorspoedig van haar verwondingen en keerde op 12 april terug in het dorp. De Duitsers waren zich toen al aan het terugtrekken. Vijf dagen later, Noord Friesland was intussen bevrijd, werd ze gearresteerd. Zij werd later veroordeeld en moest een gevangenisstraf van 4 jaar uitzitten. Nadat ze was vrijgekomen, ging Griet studeren. Ze werd kinderarts en vestigde zich in Drenthe.
Bovenstaand verhaal is gepubliceerd in het door Stichting Oud Ried uitgegeven boekwerkje “Oorlogsjaren in Ried”. Het hele verhaal van Griet Sinnema is uitgebreid beschreven in het door Henk Sloots geschreven boek “Het meisje dat dood moest” (Het levensverhaal van Grietje Sinnema).
Op 3 mei 2025 kunt u de tentoonstelling over 80 jaar bevrijding bezoeken in dorpshuis “De Rede” in Ried. Openingstijden: 11.00 – 17.00 uur. www.oudried.nl
Het Psychiatrisch Ziekenhuis Franeker in oorlogstijd
Het voormalig Psychiatrisch Ziekenhuis (PZ) in Franeker, voorloper van de huidige GGZ Friesland, bood in de Tweede Wereldoorlog onderdak aan psychiatrische patiënten, Joodse onderduikers en oorlogsvluchtelingen. De beide locaties van het ziekenhuis, het in 1930 in gebruik genomen nieuwbouwcomplex Groot Lankum en het oude onderkomen, “het Binnengesticht” of “PZ-binnen”, speelden daarbij een markante rol.
In de tweedelige documentaire Een vergeten geschiedenis (Fryslân DOK) reconstrueert documentairemaker Gerard van der Veer aan de hand van herinneringen van oud-verpleegsters en inwoners van Franeker hoe het ziekenhuis zich in oorlogstijd onder barre omstandigheden staande wist te houden.
‘Franeker was in de Tweede Wereldoorlog met 350 NSB’ers een bolwerk van lui die sympathiseerden met de Duitsers. De NSB kreeg zelfs zeggenschap in leidinggeven en hoe te werken binnen het ziekenhuis. Binnen dit klimaat moest het personeel, wat aan de goede kant stond, steeds meer in het geheim werken om Joden en stadsgenoten die gevaar liepen onder te laten duiken in dit ziekenhuis.’
In februari 1943 vorderen de Duitsers het Psychiatrische Centrum Vogelzang in Bennebroek. De 369 patiënten en 100 medewerkers werden met treinen naar Franeker gebracht en in de PZ-binnen opgevangen. De daar verblijvende Franeker patiënten werden op hun beurt op de zolder van Groot Lankum ondergebracht.
Op de vlucht voor het oorlogsgeweld tijdens de hongerwinter arriveert in januari 1945 een trein met vluchtelingen uit Roermond in Franeker. De eerste opvang vindt plaats door de medewerkers van de PZ. De zieke vluchtelingen worden verzorgd en opgenomen in het inmiddels overvolle ziekenhuis. De overige vluchtelingen worden in de weken daarop ondergebracht bij gastgezinnen.
Dan volgt 27 maart 1945. Anne Nippel (Friesch Dagblad: De helletocht van Zuidlaren naar Groot Lankum in Franeker): ‘Het is donderdag 29 maart 1945, de stationsklok wijst 22.00 uur. Het is donker, koud en het regent pijpenstelen. Op het station in Franeker komt een trein aan met 23 goederenwagons met daarin 528 passagiers. Het zijn patiënten afkomstig van het krankzinnigeninstituut Dennenoord in Zuidlaren. De patiënten zijn al vierentwintig uur onderweg. Eindbestemming: het overvolle Groot Lankum in Franeker.’
Over de(ze) hectische periode, een overvolle, zwaarbelaste PZ in een overvolle stad is het nodige terug te vinden op het internet. Zo ook op de website van het Historisch Centrum Franeker. Hier wordt onder meer het boekje ‘Dennenoord-Franeker, 1940-45, de helletocht die vergeten werd’ getypeerd.
‘In 1945 wordt psychiatrisch ziekenhuis Dennenoord in het Drentse Zuidlaren op last van de Duitse bezetter ontruimd om daar een oorlogshospitaal te kunnen vestigen. De patiënten worden elders ondergebracht, o.a. in Franeker waar in totaal 528 patiënten een plaats krijgen in zes schoolgebouwen en in het Binnengesticht van de Psychiatrische Inrichting. Tijdens de vier maanden die het verblijf in Franeker duurt, van 27 maart tot 26 juli, overlijden maar liefst 56 patiënten.’
De Overval op het Distributiekantoor in Sint Annaparochie
De grootste actie in de geschiedenis van de Knokploeg Sexbierum vond plaats op zaterdagavond 25 september 1943: de overval op het distributiekantoor in het gemeentehuis van Sint Annaparochie. Het risico was groot, omdat vooraf niet in te schatten was hoe de Duitsers zouden reageren. Dat door de overval honderden jonge Bildtse mannen vrijgesteld konden worden van verplichte tewerkstelling, woog uiteindelijk zwaarder dan mogelijke represailles. Rients Bruinsma besloot dan ook dat de actie moest doorgaan.
In Sint Annaparochie stond het gemeentehuis van gemeente het Bildt, het bevolkingsregister bevond zich achter een zware kluisdeur. In mei 1943 waren juist Bildtse dorpen, zoals Sint Annaparochie en Sint Jacobiparochie, met hun eigen streektaal, grote brandhaarden van staking en verzet. De 7 mannen die de overval voorbereidden en uitvoerden maakten deel uit van de zogeheten knokploeg (KP) van Sexbierum. Ze opereerden vanuit de boerderij Liauckema State.
Het belang van de overval was enorm en daarom doen er maar liefst acht mannen aan mee: Rients Bruinsma, Lubbertus Blaauw, Lolle Rondaan, Gerben Desiré Oswald, Gerrit Schuil, Jisse Dijkstra, Johannes van der Weit en Frederik Jan Kleinbrinke. De mannen verzamelden zich onder de bomen aan de Langhuisterwerg. Blaauw, een bevriende marechaussee uit Sint Annaparochie, maakte van binnenuit de achterdeur open en laat drie KP’ers naar binnen. Het drietal wacht in het brandstoffenhok op het moment dat Rients Bruinsma constateert dat de situatie buiten volledig veilig is. Dan geeft hij het sein “veilig” door drie keer op een ruitje te tikken. De overval kan beginnen!
Het was een groot geluk dat twee wachten al bijna in slaap waren gevallen wanneer de overvallers hen overmeesterden. Oswald en Schuil bewaakten de wachtmeesters en gaven hen zelfs nog een sigaret tegen de schrik. Rondaan probeerde ondertussen de grote kluis open te breken. Hij begon te wroeten en werkte zich in het zweet, maar ontdekte al snel dat de kluis alleen van boven af te openen was. Het was een hels karwei dat veel tijd kostte en waarbij het lawaai ook buiten op straat te horen was. Zijn kameraden begonnen zich al af te vragen of de actie wel zou lukken, maar Lolle wist van geen ophouden. “Al komt er nu een heel leger politiemannen… We gaan door!” is zijn antwoord. “Dan hadden jullie maar bij moeder thuis moeten blijven”.
Uiteindelijk gaf de kluisdeur mee. Monden vielen open van verbazing wanneer de KP’ers zien hoe groot de buit is: een radio, een schrijfmachine en zoveel bonkaarten en Ausweisen (persoonsbewijzen) dat het onmogelijk leek om die op de fiets mee te nemen. Toch lukte het Lolle om de documenten veilig te stellen en in Beetgum te verstoppen. Zeven postzakken werden via het dak meegenomen, op de fiets naar de schuilplaats in Beetgum. Enkele weken later werd de buit verbrand in de bakkersoven van Bakker Wouda.
Daags na de overval gaat Lolle naar de kerk in Beetgum. Geslapen had hij nauwelijks, maar zijn afwezigheid zal alleen maar argwaan opwekken. In de kerk ging het nieuws van de overval in Sint Annaparochie als een lopend vuurtje. Lolle speelde de vermoorde onschuld en maakte zich ondertussen zorgen over het vervolg. Zullen de Duitsers deze actie wreken? En wat moest er met de documenten gebeuren? Hij besloot om het bevolkingsregister thuis te verbergen, totdat er een manier is bedacht om het definitief te laten verdwijnen.
De missie leek perfect geslaagd. Totdat op 22 november 1943 ’s avonds om half twaalf 50 Duitsers Liauckema State binnenvielen. Een lid van de knokploeg, Franciscus Hendrikus Adrianus Michon, bleek een verrader, en lid van de SS te zijn. In februari, na hun gevangenneming, werden Lolle Rondaan (25), Gerrit Schuil (26), Gerben Desiré Oswald (24) en Folkert Bergsma (21) ter dood veroordeeld en gefusilleerd in de Kennemerduinen.
Voor het volledige verhaal en meer informatie over de mannen die deze overval pleegden kunt u terecht op de website van oorlogsbronnen.nl.
Jacob Bramson en Caroline Bramson-Klein en de kibboets in Franeker
Jacob Bramson (1898-1991) is samen met zijn vrouw Carolina Bramson-Klein (1905-1945) initiatiefnemer van de kibboets in Franeker. Begin jaren dertig reizen ze al door Palestina, waarschijnlijk om zich te oriënteren op een eventuele emigratie. Ze zijn overtuigde zionisten. Jacob is vanaf 1929 tweede geneesheer bij het Psychiatrisch Ziekenhuis in Franeker. Carolina is maatschappelijk en politiek zeer actief. Als de kibboets in Franeker in 1934 van start gaat, worden Carolina en Jacob begeleiders van de bewoners, die vaak vanuit moeilijke omstandigheden in Franeker terecht zijn gekomen. Ze hebben weinig comfort in huis en het werk bij boeren, tuinders of elders is zwaar. Carolina en Jacob hebben drie kinderen, Reina, Josef en Batya. Op de filmbeelden van Jacob (‘Kibboets op de Klei’) zien we o.a. Carolina met de kinderen een bezoekje brengen aan de kibboetsbewoners.
Begin 1941, toen Jacob Bramson op grond van anti-Joodse verordeningen van de Duitse bezetter door het bestuur van het PZ uit zijn functie werd ontheven, moesten ze hun huis uit. Uiteindelijk volgt gedwongen vertrek naar kamp Westerbork en opeenvolgende verblijven in verschillende interneringskampen. Op 11 januari 1944 meldden ze zich vanuit Kamp Westerbork ‘vrijwillig’ voor deportatie naar Bergen-Belsen. Dit uitwisselingskamp in Noord-Duitsland was bestemd voor Joden aan wie beloofd was dat ze zouden worden uitgewisseld tegen Duitse geïnterneerden en krijgsgevangenen in het buitenland. Wie een Palestina-pas/certificaat had, kwam hiervoor in aanmerking. Waarschijnlijk gold het laatste voor de familie Bramson. De situatie in Bergen-Belsen verslechtert echter dramatisch. Tussen begin januari 1945 en midden april 1945 kwamen 35.000 mensen om van honger, uitputting en ziekte. Onder hen Anne Frank en haar zusje Margot. Op 16 februari 1945 sterft ook Carolina Bramson.
Toen in april 1945 de Britse troepen het kamp naderden, werden Jacob en de kinderen samen met bijna 7000 mede-gevangen op transport gesteld naar concentratiekamp Theresienstadt. Het is het beruchte ‘verloren transport’; treinen die dagenlang in het niemandsland tussen de frontlinies rondreden, zonder eten en drinken. Jacob en de kinderen overleefden deze helletocht en worden op 24 april 1945 bij Tröbitz door de Russen bevrijd.
In maart 1946 keert Jacob Bramson terug naar Franeker. Huize Camper, zijn voormalige artsenwoning aan de Voorstraat 69, was na zijn vertrek door geneesheer-directeur Van Andel betrokken. Bramson gaat met de kinderen naar de Harlingerweg 65, eveneens een ambtswoning van het PZ. Tot 1 december 1949 blijft hij in dienst van het PZ.
Op 2 december van datzelfde jaar verlaat hij Franeker voor de tweede keer. Herinneringen, verlies en trauma maakten dat de familie zich hier niet (meer) thuis kon voelen. Bramson reist vooruit naar Israël en wordt arts in het psychiatrisch ziekenhuis van Bat Yam. De kinderen reizen hem later achterna met zijn huishoudster Berendina (Diet) Wolleswinkel, met wie hij in Israël trouwt. Bramson overlijdt op 5 mei 1991 in Jeruzalem. Hij ligt begraven op de Olijfberg. Jacob en Carolina hebben dertien kleinkinderen en tientallen achterkleinkinderen gekregen.
Wieger Rekker: een vergeten oorlogsslachtoffer uit Berltsum
De stichting Oudheidkamer De Grusert spoorde het droevige verhaal op over Wieger Rekker. Bij de staking in 1943 bij de zuivelfabriek Lijempf in Berltsum werd ook Wieger Rekker door de 'Grüne Polizei' opgepakt en ter dood veroordeeld. Maar deze straf werd omgezet in 15 jaar tuchthuisstraf. Hij werd afgevoerd naar concentratiekampen. Van hem was alleen bekend dat hij in 1945 in Bergen-Belsen was vermoord.
Wie was Wieger Rekker
Wieger Rekker is geboren in Bitgum en woonde met zijn vrouw Hiltje de Vrij en zeven kinderen in Berltsum. Hij was zelfstandig groentehandelaar. Zwaar werk kon hij niet doen, want hij miste zijn rechterhand. Volgens de aanklacht van de politie had Wieger Rekker samen met 150 anderen bij de zuivelfabriek in Berltsum gestaan om enkele werkwilligen te verhinderen aan het werk te gaan. Hij kreeg als staker de doodstraf van het 'Politiestandgericht'. Voor hem werd genade gevraagd omdat hij jonge kinderen had, waarna de doodstraf omgezet werd in 15 jaar tuchthuisstraf. Hij is als staker veroordeeld, maar werkte helemaal niet in de melkfabriek.
April-Meistaking
Na de capitulatie van het Duitse leger bij Stalingrad moesten overal mannen het werk overnemen van de Duitse mannen die opgeroepen waren voor de 'Wehrmacht'. Vanaf februari 1943 vonden geregeld razzia’s plaats om mannen op te pakken. Dit leidde in april-mei tot stakingen in Nederland ook bij de zuivelfabrieken, de Melkstaking genoemd. De bezetter wilde de stakingen de kop indrukken met een politiestandrecht. In de publicaties stond dat elke onlust die de orde en veiligheid kon verstoren, met de kogel bestraft zou kunnen worden.
Concentratiekampen en expositie
Wieger Rekker werd op 8 juni 1943 naar het concentratiekamp Vught gebracht, op 24 mei 1944 naar het concentratiekamp Dachau getransporteerd en daarna naar het concentratiekamp Bergen-Belsen met als reden: niet geschikt voor arbeid. Daar is hij op 4 maart 1945 overleden aan typhus.
Tot dusver is er geen aandacht besteed aan Wieger Rekker als oorlogsslachtoffer. In Berltsum zijn al 'stroffelstienen' geplaatst voor Willem Scholten en Sijbren Lautenbach. Voor Wieger Rekker heeft De Grusert een stroffelstien aangevraagd. In de expositieruimte De Tolfde Buorren 2 in Berltsum is veel meer te zien over deze oorlogsslachtoffers. De oorlog wordt verteld aan de hand van het Dagboek van Romke van Reenen. De expositie is te zien vanaf 14 april tot en met 10 mei 2025.
Een uitgebreid artikel vind je op de website van het dorpsarchief De Grusert.